Samenvatting Thema's Maatschappijler 4: Verzorgingsstaat

Samenvatting Thema's Maatschappijler 4: Verzorgingsstaat

Bij het leren van maatschappijleer is een samenvatting zeer nuttig. Zo heb je een duidelijk overzicht van alle stof, die je moet leren. Overbodige zaken worden achterwegen gelaten, waardoor het leerwerk aanzienlijk afneemt. In dit thema van maatschappijleer wordt de verzorgingsstaat besproken. In de samenvatting komen alle hoofdstukken van het thema (hoofdstuk 4) aanbod.



Hoofdstuk 1 Wat is een verzorgingsstaat?

Wat is een verzorgingsstaat en welke waarden liggen eraan ten grondslag?

1.1

Nederland is een verzorgingsstaat, dat betekent dat de overheid zich actief bemoeit met de welvaart en het welzijn van haar inwoners. Met welvaart bedoelen we de mate waarin mensen over voldoende middelen beschikken om hun behoeften te vervullen. Onder welzijn verstaan we de mate waarin mensen tevreden zijn over hun lichamelijke en geestelijke gezondheid. Vroeger noemden sociologen landen waarin de overheid zich inspande om de burgers te behoeden voor armoede en andere ellendige leefomstandigheden een welvaartsstaat. De Nederlandse socioloog Piet Thöenes gebruikte in 1962 voor het eerste de term verzorgingsstaat, want hij vond dat de overheid zich garant moest stellen voor het collectieve sociale welzijn, maar wel binnen een democratisch staatsbestel en zonder het schaden van de economische vrijheid en grondrechten van de burgers.

Omdat men de verzorgingsstaat nu normaal vindt, staat de solidariteitsgedachte centraal: in een groep of samenleving is er bereidheid om risico´s met elkaar te delen. De overheid moet wetten maken een maatregelen uitvoeren om die solidariteit af te dwingen.

De verzorgingsstaat gaat om welvaart maar ook om welzijn. De vier belangrijke functies van de verzorgingsstaat:

  1. Verzekeren: Van belastinggeld en sociale premies worden o.a. de AOW en de Kinderbijslag betaald. Al die regelingen vormen samen het socialezekerheidsstelsel.
  2. Verzorgen: Als je een huisarts, kraamhulp, verzorgingstehuis etc. nodig hebt, kun je daar beroep op doen.
  3. Verheffen: Goed onderwijs is belangrijk per persoon om zich te ontplooien, maar ook voor de samenleving als geheel om te kunnen concurreren met grote economieën.
  4. Verbinden: Omdat je afhankelijk bent van elkaar, ontstaan er ook sterkere bindingen.

Sociale grondrechten zijn niet afdwingbaar bij de rechter, maar de overheid is verplicht om er actief naar te streven. Er zijn echter ook plichten, zoals dat iedereen die kan werken actief op zoek moet zijn naar werk voor een uitkering, en het betalen van premies voor o.a. de AOW, de Werkeloosheidswet en de basiszorgverzekering.

1.2

Planeconomie

In de communistische staatsopvatting zorgt de overheid voor relatief goed onderwijs, kinderopvang, gezondheidszorg etc. Doordat alles gepland wordt, worden mensen vaak gedwongen werk te doen en opbrengsten af te staan en kunnen door slechte planning veel mensen sterven van de honger. Na het gewelddadige leiderschap van Mao Zedong (1949 – 1976) hervormde Deng Xiaoping (1976 – 1989) de economie waardoor deze zeer sterk groeide. Zonder de planeconomie verdween echter ook de staatsverzorging, waardoor medicijnen, operaties en universitaire opleidingen zelf bekostigd moeten worden en de gelijkheid minder is geworden.

Vrijemarkteconomie

Bijvoorbeeld in de Verenigde Staten grijpt de overheid niet actief in de economie in. De belastingen zijn laag maar iedereen moet zichzelf verzekeren en goed onderwijs en gezondheidszorg zijn erg duur. Democraten willen de zorg betaalbaarder maken, maar de Republikeinen zijn fel tegen staatsbemoeienis. Door de individualistische instelling van de Verenigde Staten zijn veel mensen niet snel bereid te betalen voor iets wat ze zelf weinig gaan gebruiken.

1.3

Scandinavisch model

Je kunt door de flexibele arbeidsmarkt snel ontslagen worden, maar je krijgt ook veel individuele begeleiding om weer snel aan een baan te komen. De uitkeringen zijn goed en de zwangerschapsverlof is 96 weken. Door deze zaken en de hoge uitgaven op het gebied van onderwijs en kinderopvang is er wel een hoge collectieve lastendruk.

Angelsaksisch model

In deze landen grijpt de overheid niet snel in de economie, onderwijs, gezondheidszorg etc. in. Door de voorkeur te geven aan een goed ondernemingsklimaat wordt loonvorming aan de markt overgelaten en geeft een flexibele arbeidsmarkt impulsen aan de werkgelegenheid. Er wordt hard gewerkt, en de collectieve sector is veel kleiner dan in Nederland, dus wordt er minder belasting betaald.

Rijnlands of corporatistisch model

De markt is niet echt vrij door de collectieve sector en de samenwerking tussen overheid, werkgeversorganisaties en vakbonden. Sinds 1960 heeft Nederland dit model. De werknemers moeten beschermd zijn tegen ontslag en ziekte en moeten een goed pensioen hebben, waarvoor zij dan ook belasting en premies betalen. De hoogte en duur van de uitkeringen zijn echter afhankelijk van het arbeidsverleden, waardoor niet iedereen hetzelfde krijgt uitgekeerd. Onderwijs en kinderopvang zijn minder goed geregeld. Nederland schuift op naar het Angelsaksische model, omdat steeds meer collectieve goederen worden overgelaten aan de vrije markt.

Hoofdstuk 2 - Ontstaan verzorgingsstaat

Hoe is de verzorgingsstaat tot stand gekomen en wat was daarbij de bijdrage van liberalen, sociaaldemocraten en christendemocraten?

2.1

In de negentiende eeuw gold het principe van de vrije markt, de rol van de overheid was grotendeels op liberale grondslag gebaseerd. Nederland was een nachtwakersstaat, wat betekende dat het zich vooral beperkte tot het handhaven van rechtsorde en weinig beperkingen stelde aan de economie. Zieken, armen en ouderen werden opgevangen door particuliere instellingen en de kerk. De kerk werd gefinancierd door rijke burgers die dat als iets barmhartigs ervaarden.

Door de Armenwet van 1854 kregen hulpbehoevenden die niet tot een kerkelijke gezindte behoorden steun van de overheid. De wet werd gevolgd door meer sociale verzekeringen en arbeidsbeschermende wetgeving. Kinderwet van Van Houten (1874) verbood kinderarbeid, de Ongevallenwet (1901), de Invaliditeitswet (1913) en het Werkloosheidsbesluit (1917). Deze werden niet alleen uit menslievendheid maar ook uit het idee dat gezonde arbeiders beter werken aangenomen. De katholieken en protestanten wilden zwakkeren beschermen en zagen overheidsbemoeienis als hulp. De socialisten waren voor betere leefomstandigheden en rechtsposities van arbeiders. De liberalen zagen de gevolgen van de grote armoede als een bedreiging van de bestaande orde.

2.2

In de twintigste eeuw ontstond behoefte aan collectieve goederen en diensten, zoals wegenbouw en betere scholing. Zo ontstond de gemengde markteconomie waarin de overheid actiever werd.

De overheid greep tijdens de periode van ongekend hoge werkloosheid in door minimale uitkeringen te geven en banen te creëren door kanalen en parken te laten aanleggen. Dit was het begin van de interventie door de overheid. De politieke partijen waren het eerst vaak niet met elkaar eens, maar na de Tweede Wereldoorlog wilden ze opeens meer samenwerken.

Door de afgelopen gebeurtenissen wilden ze het helemaal anders doen, waardoor sociale zekerheid een morele basis werd.

Er is dan ook een principieel verschil: de sociale verzekeringen golden na de oorlog voor alle burgers in plaats van alleen werkenden. Dankzij de regering van na de oorlog, die zelf besliste over de jaarlijkse loonstijgingen en de Marshallhulp, stegen de werkgelegenheid en welvaart en verbeterde de Nederlandse concurrentiepositie. De geleide loonpolitiek was een compromis: de sociaaldemocraten wilden dat de positie van werknemers versterkt zou worden met nieuwe sociale wetgeving (Werklozenwet (1949) en de Ziektewet (1952)) en de katholieken wilden dat vakbonden en werkgeversorganisaties betrokken werden bij de loonpolitiek (Stichting van de Arbeid (1945) en de Sociaal Economische Raad (1950)).

2.3

De uitbreiding van de sociale voorzieningen in de jaren ’60 trof drie terreinen:

  1. Het aantal risico’s dat gedekt werd. Eerst waren werknemers alleen verzekerd tegen inkomensverlies door ziekte, werkloosheid en bedrijfsongevallen, later ook voor ouderdom (AOW, 1956), bij armoede (Bijstandswet, 1965) en bij niet-bedrijfsgebonden ongevallen (WAO, 1967).
  2. Het aantal gerechtigden. De uitkeringen en voorzieningen werden nu ook beschikbaar voor niet-premiebetalers.
  3. Het aantal sectoren. Via subsidies, collectieve voorzieningen en verplichte regelingen ging de overheid op meer terreinen financiële steun verlenen.

De Algemene Ouderdomswet (1956) zorgt voor een inkomen als je ouder dan 65 jaar bent. In 1957 kwam de vaccinatie baby’s die miljoenen zieke kinderen voorkwam. De Bijstandswet (1965) ondersteunde armen, ook als ze nog nooit een premie hadden betaald. Met de anticonceptiepil (1962) konden gezinnen klein gehouden worden, in 1972 opgenomen in het verplichte Ziekenfondspakket. Tussen 1947 en 1985 steeg het aantal woningbouwverenigingenwoningen tot meer dan anderhalf miljoen woningen, zodat gezinnen door huursubsidies konden verhuizen. Door de Leerplichtwet (1969) en een uitgebreid studiebeursstelsel konden meer kinderen een goede opleiding krijgen.

Doordat men veel minder afhankelijk was van kerk, werk, gezin en sociale klasse, en doordat de welvaart en de kwaliteit van het onderwijs waren gestegen, kon men stijgen op de maatschappelijke ladder. Dit zorgde ook voor culturele veranderingen. De toename van individuele en collectieve welvaart zorgden voor de toename van individuele vrijheid.

Liberalen zien de verzorgingsstaat als vangnet voor mensen in de problemen, maar ook als belemmering voor de economische groei.

Sociaaldemocraten accepteren de vrije markteconomie, omdat sociale wetten van de verzorgingsstaat de oneerlijke nadelen terugdringen.

Christendemocraten zijn tevreden over de grote rol van het maatschappelijke middenveld. De samenwerking van werkgevers en werknemers wordt ook door liberalen en sociaaldemocraten gesteund.

Hoofdstuk 3 - Sociale partners

Welke bijdragen leveren de verschillende hoofdrolspelers aan de verzorgingsstaat en hoe is hun onderlinge verhouding?

3.1

De vijf doelstellingen die de overheid heeft bij de Nederlandse gemengde markteconomie:

  1. Een evenwichtige arbeidsmarkt. De overheid probeert werkloosheid tegen te gaan en ondervertegenwoordigde groepen op de arbeidsmarkt te helpen door te subsidiëren, een voorrangsbeleid en in grootschalige projecten te investeren
  2. Een rechtvaardige inkomensverdeling. Door het minimumloon, uitkeringen en het progressief belastingstelsel worden armen geholpen en rijken betalen meer.
  3. Een evenwichtige betalingsbalans. De betalingsbalans is het overzicht van alle grensoverschrijdende geldstromen met het buitenland. Door lonen minder te laten stijgen kan Nederland beter concurreren in de handel.
  4. Goede arbeidsvoorwaarden. De overheid overlegt halfjaarlijks met werkgeversorganisaties en vakbonden.
  5. Goede arbeidsomstandigheden. Door de Arbowet en een inspectiedienst die bedrijven controleert.

De overheid richt zich ook op collectieve voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg en het welzijn van mensen, zoals subsidie aan sportverenigingen en bibliotheken.

Per beroepsgroep horen werknemers bij vakbonden, die weer horen bij vakcentrales, die samen de vakbeweging vormen. Die werken samen om te onderhandelen met werkgevers, maar ze bieden ook juridische hulp aan werknemers. Werkgevers horen bij werkgeversorganisaties, die onderhandelen met vakbonden en de regering.

3.2

Al deze groepen zijn samen de sociale partners. De arbeidsverhoudingen zijn de manieren waarop zij met elkaar omgaan.

In de Sociaal-Economische Raad overleggen de sociale partners, vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken en onafhankelijke deskundigen. Ze adviseren de regering op sociaal en economisch gebied. In de Stichting van de Arbeid overleggen de sociale partners over arbeidsvoorwaarden, waarover de afspraken worden opgenomen in het centraal akkoord.

Bij overleg binnen bepaalde bedrijfstakken is het belangrijkste doel het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao), een overeenkomst tussen werkgevers en werknemers uit één bedrijfstak over de arbeidsvoorwaarden. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan een cao algemeen verbindend maken, zodat deze geldt voor alle werkgevers en werknemers in een bepaalde bedrijfstak, ook als ze niet bij een vakbond zijn aangesloten.

3.3

In het harmoniemodel proberen de twee partijen tot overeenstemming te komen door te focussen op de wederzijdse afhankelijkheid. In het conflictmodel worden juist de belangentegenstellingen benadrukt.

In de jaren vijftig werkten de vakbonden nog veel samen met de overheid en werkgevers, maar eind jaren vijftig gingen ze meer luisteren naar hun leden. Door de voorspoedige jaren zestig konden de lonen stijgen, maar in de jaren zeventig konden werkgevers niet meer zoveel loon uitbetalen door de gestagneerde economie. Bedrijfstakken gingen regelmatig staken. Begin jaren tachtig gingen de vakbonden toch akkoord met de loondalingen. Het sluiten van compromissen hoort ook bij het poldermodel. Door de loonmatiging stegen weer de export, bedrijfswinsten en werkgelegenheid. De sociale premiedruk bij werknemers nam af door de daling van werkloosheidsuitgaven. Door de afgelopen crisissen verslechterde de relatie tussen werknemers en –gevers weer.

Hoofdstuk 4 - Verzorgingsstaat, de praktijk

Hoe ziet de verzorgingsstaat er in de praktijk uit?

4.1

De doelen van de overheid op het gebied van onderwijs zijn:

  1. Iedereen de kans te geven zijn of haar talenten te ontwikkelen. Door onderwijs is de positie van vrouwen en allochtonen op de arbeidsmarkt verbeterd.
  2. Zorgen voor voldoende hoogopgeleid personeel. Zo is zijn er niet te veel buitenlandse specialisten nodig om te concurreren met het buitenland.

Door de vergemakkelijkte doorstroming is hoger onderwijs makkelijker te bereiken.

Om het belang van goed onderwijs te benadrukken, is er leerplicht, schoolinspectie en de officiële strafbaarheid van spijbelen. Openbare scholen vallen direct onder de verantwoordelijkheid van de overheid. Bijzondere scholen hebben een particulier bestuur. Alle onderwijsinstellingen worden geïnspecteerd door de Onderwijsinspectie.

4.2

Boven de achttien moet je verplicht een zorgverzekering afsluiten, armen worden tegemoet gekomen met een zorgtoeslag. In het basispakket zitten huisarts, ziekenhuisopname, medicijnen etc. Voor de fysiotherapeut en de tandarts moet je een aanvullende verzekering afsluiten. Je betaalt de zorgverzekering door:

  • Zorgpremies; 100 euro per maand voor de basisverzekering, aanvullende verzekeringen paar tientjes per maand.
  • Inkomensafhankelijke bijdrage

Ook is er het eigen risico van een paar honderd euro.

De overheid laat zorgverzekeringen zelf prijsafspraken maken met zorgaanbieders. Critici vragen zich af of dit niet ten koste gaat van de kwaliteit van de zorg. Voorstanders zeggen dat de ziekenhuizen beter zijn gaan werken en dat er minder lange wachtlijsten zijn.

4.3

De sociale verzekeringen zijn verplicht, je verzekert je tegen bepaalde risico’s.

Werknemersverzekeringen worden ook door werkgevers betaald. Ze worden geregeld door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), opgericht door werkgevers- en werknemersorganisaties.

De drie belangrijkste werknemersverzekeringen:

  • De Werkloosheidswet (WW). Voorziet in inkomen bij onvrijwillige werkloosheid. Duur afhankelijk van aantal gewerkte jaren.
  • De Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (WULBZ). Verplicht werkgevers om bij ziekte van werknemers tot maximaal 2 jaar 70% (soms 100%) van het loon door te betalen.
  • De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Voorziet mensen die niet kunnen werken door langdurige ziekte of een ongeval in een inkomen. Inkomen afhankelijk van laatstverdiende loon én mate van arbeidsongeschiktheid.

Iedereen met een inkomen betaalt een premie voor de volksverzekeringen.

De belangrijkste volksverzekeringen:

  • De Algemene Ouderdomswet (AOW). Iedereen heeft vanaf zijn 65e recht op AOW. Inkomensonafhankelijk.
  • De Algemene Nabestaandenwet (ANW). Voor weduwen, weduwnaars en minderjarige wezen. Inkomen afhankelijk van het inkomen van de nabestaande.
  • De Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Een tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud van de kinderen.

Van de belastingopbrengsten worden sociale voorzieningen bekostigd, voor mensen die nog nooit hebben gewerkt en zo geen aanspraak kunnen maken op sociale verzekeringen. Als je ouder bent dan 21 jaar en niet, zoals volgens de Wet werk en bijstand (WWB) wordt verwacht, zelfstandig in je eigen bestaan kan voorzien, krijgt ondersteuning bij het vinden van werk en een bijstandsuitkering als het nodig is. De algemene bijstand voorziet in een minimumbedrag. Als bijvoorbeeld je wasmachine stuk gaat, bepaalt de Sociale Dienst of je in aanmerking komt voor een bijzondere bijstand.

Hoofdstuk 5 - Werk in de verzorgingsstaat

Wat is de betekenis van werk in een verzorgingsstaat zoals Nederland?

5.1

Werk draagt er sterk toe bij dat mensen deze vijf materiële en immateriële basisbehoeften kunnen vervullen. De basisbehoeften van Maslow van onder naar boven:

  • Lichamelijke behoeften
  • Veiligheid en zekerheid
  • De behoefte om erbij te horen
  • Erkenning en waardering
  • Zelfrealisatie

Het arbeidsethos is de waarde die men geeft aan arbeid. Zo zagen de Oude Grieken en Romeinen werk als een noodzakelijk kwaad, iets voor de armen. Dat gold ook voor de middeleeuwen, maar toen vonden de armen het wat minder erg om het werk te doen. Dat kwam door de Bijbel en hervormers als Luther (1483 – 1546) en Calvijn (1509 – 1564), die pleitten voor een sober leven en arbeid als een teken van uitverkiezing beschouwden. Door de Verlichting en mensen als Adam Smith (1723 – 1790) en Karl Marx (1818 – 1883) ontstond het idee dat arbeid echter gebruikt kon worden als een middel tot sociale mobiliteit. Sinds de grondwetswijziging van 1983 hebben we het recht op arbeid. Zo wilde de overheid zorgen voor meer mogelijkheid tot ontplooiing en geluk. Door de solidariteitsgedachte van de verzorgingsstaat hebben we echter ook een maatschappelijke plicht tot werken.

5.2

In onze samenleving is sprake van sociale ongelijkheid, niet iedereen heeft dezelfde kansen en niet iedereen heeft evenveel geld etc. Hoe meer macht en geld, hoe meer toegang tot sociale privileges als onaangenaam werk vermijden, meer toegang tot kennis, meer respect etc. Het sociaal kapitaal is dan ook de mate waarin iemand beschikt over voordelige, ‘handige’ sociale connecties.

Vier factoren hebben invloed op je maatschappelijke positite:

  1. Economische factoren, zoals je beroep, je inkomen en je bezit.
  2. Politieke factoren. Hoe meer macht, hoe hoger de maatschappelijke positie.
  3. Sociale factoren. Als je opgroeit in een achterstandswijk, heb je minder kans op een hoge maatschappelijke positie.
  4. Culturele factoren. Kinderen die thuis gestimuleerd worden om te lezen en naar musea en theater te gaan ontwikkelen cultureel kapitaal: kennis en vaardigheden waardoor je gemakkelijker een hoge maatschappelijke positie verwerft.

Door de verbeteringen in het onderwijs, en daarmee de betere kansen in het onderwijs, is de sociale mobiliteit sinds de jaren zestig sterk toegenomen. Voor mensen met weinig opleiding en/of weinig werkervaring kan het nog steeds moeilijk zijn om op te klimmen. Daarom stimuleert de overheid werkgevers om vaker gehandicapten, chronisch zieken en allochtonen aan te nemen door gesubsidieerde banen en wettelijke regelingen. Dit heet het emancipatiebeleid.

Hoofdstuk 6 De arbeidsmarkt

Hoe zit de arbeidsmarkt in elkaar, welke ontwikkelingen zijn er gaande en welke rol speelt de overheid daarin?

6.1

De arbeidsmarkt is de plek waar de vraag naar en het aanbod van arbeidskrachten elkaar ontmoeten. Alle mensen die in staat zijn te werken heten de beroepsbevolking. De werkgelegenheid is de vraag naar arbeid. Vraag en aanbod van arbeid zullen nooit echt in evenwicht zijn, zo zullen er altijd faillissementen zijn (aanbod) en zullen er altijd mensen zijn die opeens stoppen met werken (vraag). De overheid streeft echter wel naar dit ideaalbeeld om de stabiliteit van de economie te garanderen, want:

  • Bij hoge werkloosheid meer uitkeringsuitgaven en minder belastinginkomsten.
  • Bij tekort aan arbeidskrachten hogere lonen en daardoor verslechtering van exportpositie.

Iemand is een officieel geregistreerde werkloze als hij:

  • Tussen de 15 en 65 jaar oud is
  • Niet werkt of minder dan twaalf uur per week werkt
  • Actief op zoek is naar een baan van twaalf uur per week of meer
  • Ingeschreven staat als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf

In persoonlijk opzicht is werkloosheid heel vervelend, maar in economisch opzicht is het slechts zo dat de vraag naar werk groter is dan het aanbod. Er zijn vier soorten werkloosheid:

  • Frictiewerkloosheid: korte tijd geen werk, wanneer je bijvoorbeeld net overstapt naar een andere baan.
  • Seizoenwerkloosheid: bijvoorbeeld als je werkt bij een strandpaviljoen.
  • Conjuncturele werkloosheid: wanneer de vraag naar arbeid afneemt in tijden van economische laagconjunctuur.
  • Structurele werkloosheid: wanneer werk structureel verdwijnt uit een land door automatisering en verplaatsing naar lagelonenlanden.

6.2

De belangrijkste actuele ontwikkelingen van de arbeidsmarkt zijn:

  • Verdwijnen van bedrijfstakken en opkomst van nieuwe bedrijfstakken
  • Schaalvergroting bij bedrijven
  • Flexibilisering van de arbeid
  • Informatisering van de arbeid
  • Internationalisering van de arbeidsmarkt

Veel arbeidsintensief en laaggeschoold werk is door automatisering en verplaatsing naar lagelonenlanden verplaatst. De behoefte aan hoger geschoold personeel is juist toegenomen. Zaken als de researchafdelingen van Philips en Shell, nieuwe industriële producten, zijn vaak wel in Nederland gebleven. Ook in de landbouw is sprake van technologische en duurzame ontwikkelingen, waarvoor hoger geschoold personeel nodig is. Ook in de dienstensector (vrijetijdsindustrie) en ICT-sector (navigatieprogramma’s, softwarebedrijven, games) is sprake van flinke groei.

Om beter te kunnen concurreren zijn veel bedrijven gefuseerd tot multinationals zoals Unilever. Ook ziekenhuizen en scholen fuseren steeds meer. Daardoor is de afstand tussen bedrijfstop en personeel groter geworden, maar omdat er daardoor meer leidinggevende functies ontstaan zijn en er daardoor managementcursussen nodig zijn, is er meer werkgelegenheid.

De informatietechnologie is steeds belangrijker geworden. Denk aan elektronische patiëntendossiers en actuele voorraadcijfers. Snelle toegankelijkheid van informatie is belangrijker geworden dan kennis, waardoor de baas nu niet meer per se het meeste weet maar eerder de werknemers begeleidt. Door de informatietechnologie is het aantal banen in de ICT-sector gestegen.

Flexibele arbeidsrelaties zijn alle werksituaties met een variabele inzetbaarheid. Flexibele werkers zijn thuiswerkers, oproepbaar wanneer nodig of eigenaren van een tijdelijk contract. Flexibilisering is voordelig voor werkgevers en werknemers, doordat tijdelijke arbeidskrachten niet ontslagen hoeven te worden en voor zzp’ers geen premies afgedragen hoeven te worden, en het is makkelijker om aan een baan te komen als er geen vacatures voor vaste banen zijn en het is makkelijk te combineren. Nadeel is dat de grens tussen werk en vrije tijd vervaagt.

Door globalisering van de arbeidsmarkt wordt de EU geleidelijk één gemeenschappelijke arbeidsmarkt. De komst van Europese arbeidsmigranten kan zorgen voor verdringen van Nederlandse werknemers, maar het biedt ook nieuwe mogelijkheden voor werknemers en bedrijven.

Om ervoor te zorgen dat de verzorgingsstaat niet in gevaar komt door veranderingen op de arbeidsmarkt, stimuleert de overheid de arbeidsmarkt door miljoenen de investeren in enkele specifieke topsectoren van onze economie, zoals waterbeheer en chemische industrie.

Hoofdstuk 7 - De verzorgingsstaat onder druk

Welke problemen kent onze verzorgingsstaat en hoe ziet de toekomst van de verzorgingsstaat eruit?

7.1

De eerste golf van kritiek op de verzorgingsstaat, net na de Tweede Wereldoorlog, ging erover dat de vrijheid van mensen te veel beperkt zou worden door de toenemende staatsbemoeienis. In de jaren ’60 kwam een tweede golf van de linkse politieke partijen: zij zeiden dat de economische groei niet had gezorgd voor een grotere gelijkheid. Zij wilden uitbreiding en subsidiëring van sociale en culturele voorzieningen, betere toegang tot de voorzieningen voor de laagste inkomensgroepen, radicale democratisering van productieorganisaties en overheidsinstellingen en meer controle op macht en machtsuitoefening.

Van 1971/1972 tot 1985 steeg het gebruik van overheidsvoorzieningen door hervormingswetten. Die waren namelijk gekomen door het optimisme na de economische groei. Door een wereldwijde recessie, de oliecrisis en het verplaatsen van de werkgelegenheid naar het buitenland in de jaren zeventig kwam er zoveel werkloosheid en arbeidsongeschiktheid dat het stelsel onbetaalbaar dreigde te worden. Een aantal problemen:

  • De hoge kosten: het systeem kan onbetaalbaar worden als te veel mensen een beroep doen op het gebruik van de voorzieningen. Zo steeg het aantal mensen in de bijstand van 170.000 in 1970 naar 310.000 nu, de kosten van het langere onderwijs van 1 miljard euro in 1960 tot 34 miljard euro in 2010, het aantal arbeidsongeschikten van 100.000 mensen in 1960 tot 1 miljoen in 2004, het aantal AOW-uitkeringen van 800.000 in 1960 naar 3 miljoen nu, de kosten van de gezondheidszorg van 17 miljard euro in 1980 naar 87 miljard euro in 2010.
  • Mensen worden passief: doordat iemand met een (bijstands)uitkering meestal ook huurtoeslag, zorgtoeslag en kwijtschelding van gemeentebelastingen krijgt, gaat hij er meestal niet echt veel op vooruit als hij een baan vindt met een laag inkomen zoals het minimumloon. Er is dus geen financiële prikkel, wat zorgt voor blijvende afhankelijkheid.
  • Misbruik: sommige mensen maken misbruik van de uitkeringen en voorzieningen, om meer geld te krijgen dan zij dienen te ontvangen.

Wat de overheid eraan doet:

  • Stimuleren om te gaan of blijven werken. De premie- en belastingopbrengsten stijgen en het aantal werklozen daalt.
  • Verantwoordelijkheid delen. De risico’s worden minder bij de overheid gelegd, zodat de oorzaken van de uitkeringen en voorzieningen worden tegengegaan. Werkgevers zullen bijvoorbeeld de arbeidsomstandigheden verbeteren als ze zelf het loon van zieke werknemers moeten doorbetalen.
  • Meer controleren door bijvoorbeeld koppeling van computerbestanden, invoering van het bsn, inspectiediensten etc.

7.2

Er veranderen echter zaken in de verzorgingsstaat, zodat er ook nieuwe risico’s en nieuwe behoeften komen. Zo is de arbeidsparticipatie van vrouwen gestegen tot zo’n 80 procent. Dat betekent dat er meer kinderopvang nodig is. De vraag is of de overheid, de werkgever of de werknemer dit moet betalen. Ook zijn er meer zzp’ers en wisselen werknemers vaker van baan door de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Dan zijn scholing en bijscholing nodig en is weer de vraag of de overheid, de werkgever of de werknemer dit moet betalen.

Doordat er sprake is van vergrijzing én ontgroening, zijn er steeds minder mensen die de AOW en pensioenen van gepensioneerden betalen. Bovendien hebben al deze gepensioneerden meer gezondheidszorg nodig. Solidariteit is dus nodig om te zorgen dat er geen spanningen ontstaan tussen de generaties. Ook zijn er voor alle generaties goede voorzieningen nodig.

Het microniveau is door de verzorgingsstaat niet aangetast. De solidariteit is nog even hoog bij noodsituaties, maar hulp bij langdurige zorg wordt het steeds lastiger. Dat komt door de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen maar ook omdat men vaak niet meer in de buurt van familie woont. Het macroniveau zal ook die solidariteit nodig hebben. De financieringsgrondslag van de gezondheidszorg voor ouderen komt namelijk in gevaar. Voor de solidariteit is een duaal stelsel nodig: een basisverzekering voor cure en een particulier opererende voorziening voor care.

7.3

Er moet een antwoord komen op de volgende vragen:

  • Welke individuen of groepen krijgen recht op een voorziening?
  • Wat biedt de overheid als recht of voorziening aan?
  • Hoe worden de voorzieningen gefinancierd?

Als collectief wordt gekeken, krijgt iedereen dezelfde rechten en betaalt iedereen via de belastingen mee. Als individualistisch wordt gekeken, dan krijgen alleen degenen die iets nodig hebben het recht op een voorziening. Hoe hoger je inkomsten, hoe meer je betaalt. Doordat niet elke politieke partij hetzelfde denkt, zal de ene keer een collectieve oplossing worden gevonden en de andere keer een individualistische. Steeds opnieuw wordt een balans gezocht tussen het delen van het risico en de risico’s van het delen.

Salarisadministratie kan handig zijn voor diegene waarvan van toepassing.


Facebook logo Twitter logo Google Plus logo

Reageer op dit artikel



© 2015 Info, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de auteur. Zonder toestemming van de auteur is vermenigvuldiging verboden.